Op 11 oktober 2007 organiseerde de Dienst Zorg en Samenleven Wmo op koers. Dé Amsterdamse Wmo-conferentie. De conferentie ging over de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning in Amsterdam en vond plaats in het nieuwe gebouw van de Centrale Bibliotheek aan het IJ. Uitgenodigd waren spelers, belanghebbenden, critici en meedenkers. De conferentie maakt deel uit van een traject waarin de Dienst Zorg en Samenleven alle betrokken partijen raadpleegt over de gewenste koers van de Wmo.

Colofon Zorg, welzijn en participatie is een uitgave van Dienst Zorg en Samenleven, Gemeente Amsterdam. Tekst: Mariette Hermans Redactie: Anja Hommel, Jacco de Lange, Edwin Oppedijk Vormgeving: Marjolein Rams Fotografie: Hugo Keizer Lithografie: Jan Harm Lieftinck, Djeeks Illustraties: De beeldleveranciers Druk: Primaveraquint Conferentie-organisatie: Tas&Wüst projectrealisatie, Aenit Congresprodukties


Protest

De conferentie begon goed. Voor het gloednieuwe gebouw van de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade demonstreerden de Wijze Ouwe Wijven onder leiding van Saar Boerlage tegen de aanbesteding van het aanvullend openbaar vervoer waarbij Connexxion de aanbieder voor Amsterdam werd. De megafoon had Boerlage geleend van de SP, de enige politieke partij in Amsterdam die er nog een had liggen. Deelnemers aan de conferentie vonden dus een flyerende groep strijdbare, oudere dames en een enkele heer op hun pad naar de zevende etage van de nieuwe bieb.

De Wmo op koers - Suze Duinkerke

Als er iets is gebleken tijdens de enerverende dag in het prachtige gebouw van de nieuwe openbare bibliotheek, is het dit wel: de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning is goed op koers. Die koers mag bovendien op draagvlak rekenen.

De aftrap van de conferentie was aan drie stadsdeelbestuurders. Waar de wet in een eerder stadium als verkapte bezuinigingsmaatregel werd beschouwd, ziet men de Wmo nu als uitdaging om kwaliteit toe te voegen aan de stad.

De Wmo is immers een gezamenlijke opgave van de gemeente – stad en stadsdelen – instellingen en burgers. Het gaat erom mensen meer regie over hun eigen leven te geven, de onderlinge betrokkenheid te vergroten en ruim baan te maken voor burgerinitiatieven. Over deze aftrap leest u meer verderop.

In zeven deelsessies spraken we over informele zorgnetwerken, preventie en inclusief beleid, huiselijk geweld, de ontwikkeling van maatschappelijke steunsystemen, preventief jeugdbeleid, grenzen aan zelfstandig wonen en gebiedsgericht programmeren. Allemaal belangrijke Wmo-terreinen, die nog in ontwikkeling zijn. Na goed nieuws van wethouder Zorg Marijke Vos schoven bestuurders, een zorgverzekeraar, burgers en directeuren van instellingen voor zorg en welzijn aan tafel voor een levendig debat. In drie ronden werd gepraat over marktwerking en keuzevrijheid, bureaucratie en de vraag of de burger wel of niet goed weet wat hij of zij nodig heeft. Er bleek veel draagvlak voor de gepresenteerde koers en een grote bereidheid om daaraan bij te dragen. Ook werden er concrete afspraken gemaakt over het terugdringen van de administratieve lasten en de afstemming van welzijn en zorg op buurtniveau.

Al met al was deze conferentie een groot succes. Het was een van de vele momenten waarop stad en stadsdelen de invoering van de wet bespreken met alle betrokkenen, maar het is zeker niet het enige moment. Begin 2008 wordt de concept Wmo-nota gepresenteerd, het vierjarenplan voor de Wmo waarin de te bereiken resultaten voor de komende periode worden benoemd. Ook dan zal Dienst Zorg en Samenleven in samenwerking met de stadsdelen een aantal bijeenkomsten organiseren. Interactief beleid stopt immers niet bij het organiseren een conferentie: het is een permanent proces.

Suze Duinkerke is directeur van de Dienst Zorg en Samenleven.



Dwars door de stad
Voor de aftrap van de conferentie doorkruisen we de stad. Van stadsdeel Centrum naar Bos en Lommer en van Bos en Lommer naar Zuideramstel. Stadsdeelbestuurders Wil Codrington (Centrum), Ayhan Yalin (Bos en Lommer) en Duco Adema (Zuideramstel) staan onderweg stil bij hun ervaringen met de Wmo.
Will Codrington is stadsdeelbestuurder van GroenLinks voor stadsdeel Centrum met de Wmo in haar portefeuille. Zij geeft de aftrap voor de conferentie. Toegegeven, eerder was ze niet zo enthousiast over de Wmo, maar ze is er steeds meer de uitdaging van gaan inzien. Ze spreekt enthousiast over de XXXtra dienst, de bus van de Vrijwilligerscentrale die door de stad reed om vrijwilligers te werven voor achterstallige klussen in de stadsdelen. ‘In stadsdeel Centrum kennen we een hoge deelname aan vrijwilligerswerk. In de hele stad ligt het percentage op 32 procent, voor ons stadsdeel is het 40 procent.’ aldus Codrington. ‘We willen mensen die zich al vrijwillig inzetten daarbij ondersteunen, maar ook hun expertise gebruiken om andere mensen te stimuleren om vrijwilligerswerk te doen.’ De XXXtra Dienst was daarvoor heel geschikt. In stadsdeel Centrum reed de bus naar de Czaar Peterbuurt om een ruimte op te knappen. Het gebouw werd maar een paar uur per week gebruikt door een zorgorganisatie en was in slechte staat. Met de XXXtra dienst wierf de Vrijwilligerscentrale bewoners om te komen schilderen en een verfwinkel stelde materiaal beschikbaar. Codrington: ‘Aan de ene kant knapten we het gebouwtje op, aan de andere kant zagen de buurtbewoners: dit gebouwtje kunnen we ook gebruiken.’ Niet alleen de zorginstelling, de bewoners, maar ook de ondernemers uit de buurt waren betrokken. Codrington: ‘De Turkse winkelier die ernaast zit kwam broodjes brengen. Hij vertelde dat er in het Turks geen apart woord voor vrijwilliger bestaat, omdat het vanzelfsprekend is dat je wat voor een ander doet.’ De gemeente noemt het actief burgerschap of maatschappelijk meedoen, maar het gebeurt al op veel plekken. Cordington: ‘Onze taak is om mensen met elkaar in contact te brengen, bijvoorbeeld met een kleine subsidie voor een buurtfeest, zonder dat mensen zich daarvoor door een papiermassa heen moeten werken.’ De Wmo is vaak een kwestie van herschikken, meent ze: ‘Niet iedereen gaat naar een buurthuis, sommige mensen willen wat in hun eigen straatje organiseren.’

Meidenvoetbaltoernooi
In de zaal heeft maar één mevrouw de XXXtra dienst zien rijden. Maar dat zegt volgens Maribi Gomez, directeur van de Vrijwilligerscentrale, niks. De zichtbaarheid van het project was juist groot, en niet alleen omdat AT5 er een programma over maakte. ‘Het is niet alleen een heel opvallende bus, het is ook een instrument. We laden mensen in, we halen spullen op, het is een mobiel kantoor. We willen ermee laten zien wat er allemaal gebeurt in buurten.’ De bus rijdt voor maatschappelijke betrokkenheid, burgerschap en vrijwillige inzet. Daarbij is er samenwerking gezocht met lokale organisaties en de woningstichting Ymere, bijvoorbeeld. Gomez: ‘We hebben een voetbaltoernooi voor meiden georganiseerd. Daar waren honderddertig meisjes aan het voetballen uit heel Amsterdam. Tot aan de scheidsrechters toe werkte iedereen vrijwillig mee: allemaal jonge mensen die zich inzetten. Er wordt zoveel gepráát over sociale cohesie. Wij hebben het op een ludieke manier laten zíen.’

Meespraak
Net als Codrington ziet Ayhan Yalin de Wmo als uitdaging, vooral voor de relatie tussen bestuur en burger. Hij is stadsdeelbestuurder voor de PvdA in Bos en Lommer en heeft zorg en welzijn, inclusief de Wmo in zijn portefeuille. Hij vindt dat de Wmo de rol van bestuurders verandert doordat er andere manieren van inspraak en participatie nodig zijn om de wet goed uit te voeren. Hij noemt dit met een zelfontworpen term: meespraak. Meespraak is niet hetzelfde als inspraak. Bij inspraak mogen burgers pas hun zegje doen als het beleid al is ontwikkeld. In het nieuwe bestuursmodel van meespraak kunnen bewoners eerder in het proces meepraten en beslissen. Het motto van het buurtgericht werken in Bos en Lommer is dan ook: ‘De buurt die stuurt, de raad die laat’. Dit sluit aan op de behoefte vanuit de Wmo om de rol van de civil society te versterken. De civil society bestaat uit bewoners en organisaties waarmee het stadsdeel samenwerkt. Als je wilt dat die een belangrijke bijdrage leveren, moet je hen de positie geven die daarbij hoort, aldus Yalin.

Draagkracht
Henk Betlem is beleidsmedewerker in hetzelfde stadsdeel. Hij vertelt vanuit de zaal kort iets over het opzetten van het maatschappelijk steunsysteemin Bos en Lommer. Hij wil er niet te veel over kwijt, omdat hij er in deelsessie 4 over zal praten. (zie p. 14) ‘Het gaat erom de inzet van professionals en bewoners voor mensen in sociaal isolement beter op elkaar af te stemmen. Aan de ene kant willen we bewoners en vrijwilligersorganisaties faciliteren, aan de andere kant willen we professionals uitdagen om hun functie meer te zien als ondersteunend aan initiatieven van bewoners. Zij moeten niet alleen met dat ene probleem aan de slag – wat ze overigens erg goed doen – maar zich ook richten op de omgeving en de draagkracht van die omgeving. Als professionals dat gaan doen, dan krijgen mantelzorgers ook meer lef om hun eigen rol in te nemen, omdat ze zich gesteund weten.’

Traplift
Duco Adema vertelt tot slot dat hij blij is met het succes van de loketten Zorg en Samenleven. Zuideramstel, waar hij voor de PvdA stadsdeelvoorzitter is, bood deze vorm van dienstverlening al vóór de Wmo. Adema: ‘Wij voeren al jaren overleg tussen de aanbieders van zorg en welzijn en de vragers daarvan, met name de Ouderenadviesraad. Uit dat overleg kwam naar voren dat bewoners behoefte hadden aan meer samenhang en betere dienstverlening en informatievoorziening. Daarop zijn we de Vraagwijzer gestart, de voorloper van het loket Zorg en Samenleven.’
Het loket is niet alleen een informatiebalie, aldus Adema: ‘Dicht daarachter zitten verschillende aanbieders en met elkaar zorgen we dat het aanbod op elkaar aansluit.’ Ook startte het stadsdeel een Cliëntenplatform Wmo. ‘We willen ons nog meer gaan richten op de vraag: hoe krijgen we die goed in beeld, hoe kunnen we die betrekken?’
Adema benadrukt dat de Amsterdamse stadsdelen met elkaar hebben afgesproken om dezelfde procedures voor de loketten te volgen. ‘De angst dat je in het ene stadsdeel iets anders krijgt dan in het andere is dus onterecht. De voorzieningen voor Amsterdammers zijn overal hetzelfde. Als je je been breekt en je kunt de trap niet meer op dan is de procedure om een traplift te krijgen in Bos en Lommer hetzelfde als in Zuideramstel. Maar we leveren wel maatwerk, gericht op de bevolking van een stadsdeel. Voor ouderen zijn bepaalde voorzieningen in Zuideramstel beter verkrijgbaar dan in Bos en Lommer, omdat daar minder ouderen wonen.’

Tot slot krijgt Jan Groen het woord. Hij is lid van de Ouderenadviesraad in Zuideramstel, hij zit in het Cliëntenplatform van het stadsdeel en in de stedelijke Klankbordgroep Wmo. Hij grapt dat als hij hier een half jaar geleden had gestaan, dat Adema dan geen voldoende van hem had gekregen. Inmiddels gaat het beter. In het stadsdeel wordt beter naar de bewoners geluisterd. ‘Ik voel me altijd een beetje de waakhond.’ Aldus Groen. Misschien ook wel letterlijk: Groen blijkt de buurman van Adema te zijn.



1 Informele zorgnetwerken

Informele netwerken zijn van invloed op het welbevinden van burgers en kunnen ook een belangrijke bron van zorg en ondersteuning zijn. In deze deelsessie kwamen twee goede voorbeelden van informele netwerken ter sprake: het Steunpunt Steunvrouwen en het Chinees ouderennetwerk.

Marijke Verdonk, coördinator van het Steunpunt Steunvrouwen, gevestigd in het MoederKindCentrum in Bos en Lommer, vertelt over haar vrijwilligersorganisatie. In het netwerk zijn twaalf vrouwen actief die andere vrouwen in de buurt ondersteunen. Problemen die zij hebben, hebben te maken met zelfredzaamheid en sociaal isolement. De steunvrouwen moeten echter niet te zwaar belast worden. Het liefst ondersteunt een steunvrouw één vrouw. Kennis van de sociale kaart is daarbij een vereiste. Mary van der Made vertelt over het Chinees ouderennetwerk. Dit netwerk werkt vanuit het Chinees Centrum. Vrijwilligers van het netwerk fungeren als intermediairs tussen leden van de Chinese gemeenschap, de gemeente en instellingen. Daarbij is de taal een belangrijk probleem: niet iedereen spreekt voldoende Nederlands, noch dezelfde Chinese taal. Chinezen zijn een vrij onzichtbare groep, ook bij het Amsterdams Patiënten en Consumenten Platform (APCP) bijvoorbeeld. Bij het maken van beleid worden ze nog wel eens over het hoofd gezien.

Eigen kracht
Facilitering door de gemeente is voorwaardenscheppend voor zulke informele netwerken. Stadsdeel Centrum stelt via de Blankenbergstiching een ouderenadviseur en een maatschappelijk werker beschikbaar aan het Chinese ouderennetwerk, maar die mogen geen Chinezen van buiten het eigen stadsdeel helpen, terwijl Chinezen verspreid over de stad wonen. Afstemming met andere stadsdelen zou mogelijk moeten zijn voor doelgroepen die verspreid over de stad wonen. Een andere oplossing is om zulke grootstedelijke of specifieke problemen centraal te regelen. Ook wordt de koppeling tussen informele en formele zorg besproken. Die kan veel beter, vooral op het gebied van erkenning van mantelzorgers, betere communicatie en kortere lijnen. Er is wel een verschil: een vrijwilliger kiest doorgaans in sterke mate voor het ondersteunen van de cliënt, terwijl een instellingsmedewerker dat niet kan. Dat is ook een valkuil voor de vrijwilliger, zich te verliezen in de problematiek van de cliënt. Buren die wat willen doen voor iemand in de straat lopen nog meer dan familieleden tegen een gebrek aan erkenning aan. Ze stuiten op ‘privacy-reglementen’ en kunnen daardoor weinig doen, is de ervaring. Eelco Damen, voorzitter van het bestuur van Cordaan, geeft tot slot toe dat grote AWBZ-gefinancierde instellingen nog te veel gericht zijn op het leveren van zorg in huis en te weinig aansluiten bij de eigen kracht en de eigen netwerken van cliënten. Dat kan en moet beter, aldus Damen.


2 Preventief en inclusief beleid

Menno Moerman (stedenbouwkundige, INBO), Arnoud Verhoeff en Annelies Acda (GGD Amsterdam) introduceerden het onderzoek ‘De Gezonde Wijk: over de relatie tussen ruimtelijke ordening en fysieke beweging in vier Amsterdamse wijken’. Deelnemers gingen vervolgens aan de slag met bomen, parken, winkels en fietspaden.

De inrichting van een buurt, heeft effect op de lichaamsbeweging van buurtbewoners. Dat concluderen het EMGO instituut van Vumc, de Architekten Cie en het SPINlab van de VU na onderzoek in vier Amsterdamse buurten.
Overgewicht is een groeiend probleem in Nederland. Mensen die te dik zijn, lopen een groter risico op chronische aandoeningen zoals diabetes en hartkwalen. Dagelijkse beweging helpt. Maar niet iedereen wil naar de sportschool. Wat kan je doen om bewegen als het ware in te bouwen in dagelijkse routines?
In het onderzoek De Gezonde Wijk (zie: www.degezondewijk.nl) zijn vier Amsterdamse wijken naast elkaar gelegd, om te kijken naar het beweeggedrag van de bewoners. De buurten verschillen duidelijk in stedenbouwkundige opzet, terwijl de bevolking een vergelijkbare lage sociaaleconomische status heeft. Het zijn de Van der Pekbuurt in Noord, de Boerhaavebuurt in Oost, de Van Suchtelen-Van de Haarebuurt (SuHa-buurt) en De Punt, beide in Osdorp. De onderzoekers keken bijvoorbeeld naar de parkeergelegenheid, de bebouwingsdichtheid, de ligging van winkels voor dagelijkse boodschappen en parken. Als er in een wijk veel winkels op loopafstand zijn, kun je goed te voet of op de fiets boodschappen doen. In oudere en minder ruime wijken geldt bovendien dat er weinig ruimte is voor auto’s en mensen daarom sneller de fiets pakken. Ook is het belangrijk of de routes naar winkels fietsvriendelijk zijn. Voor kinderen zijn buurten met een ruime opzet beter voor de beweging: ze kunnen er beter op straat spelen.

Beweegvriendelijk
In drie groepen bekijken de deelnemers van deze sessie per groep een buurt. Ze krijgen een plattegrond van de buurt met informatie over groen, winkels, het straatbeeld en de parkeergelegenheid. Is deze buurt beweegvriendelijk? Hoe zouden buurtbewoners meer verleid kunnen worden tot bewegen? Dit leidt tot discussie. Over groenbeleving bijvoorbeeld: ‘zo’n park moet wel veilig zijn, anders heb je er nog niets aan’, over de trap versus de lift. En over het verkeer: ‘mensen nemen voor één halte de tram!’ Veiligheid, gelegenheid tot ontmoeting, recreatiemogelijkheden, voorzieningen en woongenot komen ter sprake. Uit de deelsessie blijkt duidelijk dat de omgeving een grote rol speelt bij het welbevinden van de bewoners van Amsterdam, hier geïllustreerd met het voorbeeld van lichaamsbeweging. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de diversiteit in een buurt: een oplossing voor de één kan een belemmering zijn voor de ander.


3 Huiselijk geweld

Brenda verschijnt met blauwe plekken op haar werk. Aan de hand van deze casus discussieerden deelnemers over huiselijk geweld. Barbara Schmeits (DZS) en Rob Jeursen (Stadsdeel De Baarsjes) leidden de sessie in, Mirjam Grit (trainster) besprak de casus.

Collega’s van Brenda zien haar met blauwe plekken op het werk verschijnen. Maar omdat ze nogal van zich af bijt, durven ze haar daar niet op aan te spreken. Trainster Mirjam Grit schetst de casus, exemplarisch voor veel gevallen van huiselijk geweld.
Eerder leidden projectleider Barbara Schmeits en ambtelijk opdrachtgever van stadsdeel De Baarsjes Rob Jeursen de deelsessie over huiselijk geweld in. Het probleem van huiselijk geweld overstijgt het stadsdeel, zelfs de stad. Toch ontbrak er lange tijd een gezamenlijke visie. In 2003 is in Amsterdam gestart om huiselijk geweld projectmatig te bestrijden. In het bestuursakkoord 2006-2010 geeft het stadsbestuur prioriteit aan het probleem.
Nieuw in de Amsterdamse aanpak zijn zes steunpunten huiselijk geweld waar iedereen, burger en professional, terecht kan. Doel is het zo snel mogelijk stoppen van het geweld en het starten van hulpverlening. Ook loopt er een pilot met een huisverbod voor plegers. Vanaf volgend jaar kan zo’n verbod dwingend worden opgelegd.
Uit het voorbeeld van Brenda blijkt hoe lastig het is in te grijpen bij huiselijk geweld. Buren horen klappen vallen, maar durven daar geen melding van te maken. Collega’s zien Brenda bont en blauw komen werken, maar zelf houdt ze iedereen op afstand. Brenda maakt – uit angst of schaamte – geen melding van het geweld. Er moet een opening ontstaan of worden geforceerd zodat haar hulp kan worden geboden. Een ingang kan de school van de kinderen zijn, bijvoorbeeld wanneer leerprestaties plotseling verminderen. Ook zijn er buren die wél melding durven maken. De collega’s van Brenda zouden ook hun schroom moeten overwinnen. Maar dit vergt een omslag ten aanzien van huiselijk geweld. Daarvoor moet fors geïnvesteerd worden om het onderwerp bespreekbaar te maken en de drempel om melding te doen te verlagen. Landelijk is daarvoor een campagne gelanceerd. In Amsterdam gaat dit jaar nog een specifieke campagne van start.
Het kan ook helpen om vrijwilligers in te zetten als intermediairs. Zij kunnen gezinnen bezoeken en het gesprek aangaan over relatieproblemen en geweld. In stadsdeel De Baarsjes heeft deze aanpak veel succes. Daar houden vrijwilligsters een soort ‘tupperwareparties’ waar huiselijk geweld in eigen kring bespreekbaar wordt.
Een valkuil is wel dat hulpverleners de hulpvraag voor het slachtoffer formuleren en gemakkelijk naar maatregelen van dwang en drang grijpen als de interventie geen succes heeft. De vraag van het slachtoffer zélf zou voorop moeten staan, al kost het moeite om die boven water te krijgen. Hulpverlening kan pas slagen wanneer iemand gemotiveerd is. Dit is een noodzakelijke tussenstap tussen het formuleren van de vraag en het starten van de hulpverlening.
De eerste lijnshulpverlening moet een belangrijke rol spelen in het signaleren van huiselijk geweld. Bij de huisarts en de spoedeisende hulp worden de lichamelijke gevolgen immers vaak het eerst zichtbaar. Maar, zo merkt een hulpverleenster op, ‘professionele partijen zien het signaleren van huiselijk geweld als iets extra’s.’ De inzet van vrijwilligers zou verder moeten worden uitgebreid. Maar vooral de houding van burgers en professionele partners heeft aandacht nodig: bij huiselijk geweld mag niemand wegkijken.



Opsluiten in een kamertje

Debat over keuzevrijheid, overbodige administratie en buurtgevoel
Is nabijheid en laagdrempeligheid van zorg niet belangrijker dan keuzevrijheid? En waarom moet een gemiddelde werker per vijf minuten haar werk registeren? Zouden we niet meer aandacht moeten besteden aan de sociale samenhang in plaats van aan zorg alleen? Er was geen gebrek aan gespreksstof tijdens het slotdebat over de Wmo in Amsterdam. De zaal gaf de wethouder en stadsdeelbestuurders waardevolle tips mee. Over de vermindering van de administratieve lasten en over de afstemming van het aanbod van zorg en welzijn werden klinkende afspraken gemaakt.


‘s Middags gaan acht kopstukken met elkaar in debat over verschillende vraagstukken van de Wmo. Het zijn Cor van Drongelen (voorzitter ABCZ Wmo-klankbordgroep), Eelco Damen (raad van bestuur Cordaan), Marijke Vos (wethouder Zorg), Firoez Azarhoosh (voorzitter Wereldpand, denktank sociale cohesie Zeeburg), Monique Ruimschotel (directeur IJsterk), Jan Hoek (stadsdeelbestuurder Zeeburg), Diana Monissen (raad van bestuur Zorg Agis Zorgverzekeringen) en Bart van der Neut (directeur Raster).

Dagvoorzitter Annemieke Hijink (Hijink&zo) bewaakt de gang van zaken op het podium terwijl Marius Ernsting (Directeur bijzondere projecten Humanitas, Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk) zorgt ervoor dat de zaal voldoende aan bod komt.



Consumentenmacht

Alle stellingen worden ingeleid met een filmpje waarin twee personen de stelling belichten. De eerste stelling is: ‘Ik denk dat de gemiddelde cliënt of gebruiker beter wordt van de keuzevrijheid die de Wmo met zich meebrengt.’
De debaters worden gevraagd om op een lijn te gaan staan van 1 tot 10: nummer 1 voor ‘helemaal oneens’, nummer 10 voor ‘helemaal mee eens’. Hijink waarschuwt: ‘Het kan druk worden op sommige punten.’ De meeste mensen staan inderdaad bij 10. Zij vinden dat de Wmo de keuzevrijheid vergroot. Monique Ruimschotel niet: ‘Volgens mij zit de keuzevrijheid vooral bij degene die het geld in handen heeft, de financier en niet bij degene die afhankelijk is van de financier, de cliënt. Als de Wmo zou betekenen dat de consumentenmacht groter zou worden, dan was ik het er mee eens.’
Diana Monissen aarzelde ook om naar de positieve kant te gaan: ‘Wij zijn verplicht om klanten te empoweren, hen beter toe te rusten en informatie te geven zodat ze een goede keuze kunnen maken. Wij moeten daarom als zorgverzekering helder maken waarom we bij de één zorg inkopen en niet bij de ander.’ Volgens Monissen vergt het echter nog enige jaren voordat de omslag is gemaakt die het nieuwe stelsel vereist.
Firoez Azerhoosh stond in het midden: ‘Ik heb geen idee wat ik vind. De gemiddelde gebruiker bestaat niet.’ Volgens hem gaat het niet over keuzevrijheid maar over differentiatie van diensten.
Saar Boerlage, vanuit de zaal, heeft moeite met het laatste stukje van de stelling. Ze noemt het voorbeeld van het Aanvullend Openbare Vervoer (AOV). Daarvoor zijn mensen ingedeeld in ‘percelen’ en hebben vervolgens te maken met Connexxion of Stadsmobiel. ‘Er is dus helemaal geen keuzevrijheid. Je mág wel een taxi nemen, maar gewone mensen kunnen dat niet.’
Eelco Damen heeft de meetlat verkeerd geïnterpreteerd. Hij stond bij 10, maar is tegen de stelling. ‘Keuzevrijheid leidt niet tot kwaliteit. Het gaat mij in de Wmo vooral om de nabijheid van zorg. Nabijheid en keuzevrijheid staan op gespannen voet met elkaar.’

Buitengewoon zorgelijk

De tweede stelling luidt: ‘Ik denk dat het reëel en onomkoombaar is dat een groot deel van het werk administratie is.’ Alle debaters verzamelen zich bij 1: ‘Het kan niet oneenser’, aldus Annemieke Hijink.
Cor van Drongelen noemt als voorbeeld de nieuwe regels voor het persoonsgebonden budget (pgb). Als de administratieve lasten van het verstrekken van het pgb hoger zijn dan het pgb zelf, dan kan je fluiten naar je budget. Dat betekent dat mensen met een klein budget het niet meer ontvangen. ‘Er wordt hen een stuk zelfstandigheid afgenomen.’
Marijke Vos vult aan dat het gebruik van het pgb fors is gestegen sinds de invoering van de Wmo. Dat is een positief signaal; er worden veel mensen mee geholpen.
Toch maakt Willy Demollin van Stichting Gehandicapten Overleg Amsterdam zich er kwaad over. ‘Er wordt in de zorg een enorme administratie gecreëerd. En niet in de laatste plaats bij het pgb. Het pgb was nou juist een instrument voor keuzevrijheid en eigen beslissingen maar ambtenaren hopen de administratie zo op, dat ze het dood maken.’ Hij vindt: ‘Je moet het pgb zo vrij mogelijk maken.’
Eelco Damen vindt de situatie buitengewoon zorgelijk. ‘De verantwoordingsplicht is alleen maar toegenomen. Iedere zorgaanbieder heeft zijn eigen administratiekantoor. Het is een fabriek geworden. Ik vind dat we moeten streven naar een simpele vorm van verantwoording. Eén systeem voor alle geldstromen. Zodat mensen in de zorg zich bezig kunnen houden met die zorg.’
Marius Ernsting heeft een oplossing: ‘Deze acht mensen zijn het allemaal oneens met de stelling, maar zij zijn degenen die het kunnen regelen. Ik zou zeggen, ga in een kamertje zitten, doe de deur op slot en kom er niet uit voordat jullie eruit zijn!’

Monica Lamperjee van het APCP suggereert om met kwaliteitspanels te toetsen: ‘Elke maand een panel is nog goedkoper dan al die formulieren.’ Diana Monissen heeft bij Agis de inkoopprocedure vanuit het zorgkantoor vereenvoudigd: ‘We doen controle achteraf. We praten met elkaar. Dat scheelt pakken papier en heeft succes. Het gaat over vertrouwen, niet over wantrouwen.’
Firoez Azerhoosh memoreert de WRR-notitie waaruit blijkt dat adminstratieve rapportage geen instrument is om te controleren of iemand iets goed doet. Ook hij spreekt over vertrouwen: ‘We hebben het over de controle van instellingen door de overheid, maar wie controleert de overheid? De Wmo vergt een andere rol van het ambtelijk apparaat. Die moet kwaliteit controleren in de maatschappij en niet alleen rapportjes lezen achter het bureau.’

Blije ringslang

Jan Hoek benadrukt dat overheden nu eenmaal een verantwoordingsplicht hebben: ‘Zelfs al zou je je niet moeten verantwoorden bij de financier, dan moet je dat doen jegens de samenleving.’ Hij introduceert hij een metafoor voor zorg en registratie: ‘In Zeeburg hebben we het Diemerpark binnen onze stadsdeelgrenzen. Wij maken ons daar druk over de habitat van de ringslang: het is ons ‘doelorganisme’. Het idee is dat als je een park creëert waarin de ringslang het naar zijn zin heeft, dat andere dieren en planten er dan ook goed gedijen.’ Voor zorg en welzijn moeten we naar dit ringslangmodel: ‘De essentie benoemen van waar het je om te doen is, daar keihard op controleren en afrekenen, in het vertrouwen dat dan de rest ook wel goed zal zijn.’ Hijink ziet het logo al voor zich: een blije ringslang!
Bart van der Neut vindt dat we in een nieuw systeem helder moeten definiëren wat voor soort resultaten we beogen en hoe we die inzichtelijk gaan maken. Ook noemt hij klanttevredenheid als indicator: ‘Dat is belangrijker dan of je het wel hebt gedaan in de vier uur die ervoor staat.’ Vanuit de zaal suggereert Lamperjee steekproeven: ‘Dat de inspectie ergens binnenwandelt en een dagje meeloopt om te kijken, klopt die afgegeven indicatie nog?’
Marijke Vos pakt de uitdaging aan. ‘Dit is dus huiswerk. We willen verantwoording, maar simpele. Daar zijn veel suggesties voor gedaan vandaag. Ik wil het op me nemen, dat we de koppen bij elkaar steken en zorgen dat het eenvoudiger wordt.’

Stelling 3: ‘Ik denk dat cliënten goed in staat zijn hun eigen hulp te organiseren. Daar hoeft de gemeente zich niet mee te bemoeien.’
Cor van Drongelen sprint met haar rolstoel naar positie 10: helemaal mee eens. ‘Ik vind dit een heerlijke stelling, want ik denk dat cliënten als beste en enige weten wat ze nodig hebben en hoe ze dat moeten organiseren, samen met hun omgeving.’

Firoez Azerhoosh staat weer ergens in het midden: ‘Het eerste deel spreekt me wel aan, maar dat betekent niet dat de gemeente zich er niet mee moet bemoeien. Ik heb moeite met generaliseringen. Als de stelling waar zou zijn, dan zouden we geen professionals nodig hebben. Ik ben hier met mevrouw van Drongelen een van de weinige burgers, verder zit de zaal vol met professionals en ambtenaren, dus dat ondergraaft de stelling.’
Ook Van der Neut staat halverwege: ‘Daar waar het de klant helder is waaruit hij kan kiezen, moet ‘ie het vooral zelf doen. Helaas hebben we per jaar zo’n vierduizend mensen per stadsdeel over de vloer die simpelweg niet weten waaruit ze kunnen kiezen, omdat regelingen zo complex zijn.’
In de stelling zit een onterechte tegenstelling tussen het collectieve en het individuele, aldus Azerhoosh: ‘De burger gaat over zijn eigen leven. Maar als er geïntervenieerd moet worden, hebben we de overheid nodig. Dat is niet alleen een taak van de overheid, maar van de hele samenleving. De sterken moeten de zwakken bijstaan, ze moeten een partner zijn van overheid en instellingen. De grootste uitdaging van de Wmo is deze omgeving tot stand brengen: hoe kan ik als burger middels interventie en ondersteuning van de overheid mijn buurvrouw helpen? Dat is sociale cohesie. We praten al twee uur over de Wmo, maar alleen over de zorg-kant en niet over de zijn-kant.’
Dit is Monique Ruimschotel uit het hart gegrepen. Volgens haar is het informele netwerk van buurt en buren essentieel. ‘In de ontwikkeling van de Wmo wordt prioriteit gegeven aan mensen die zorg behoeven. Dat is logisch, maar op de lange termijn is het verstandiger om geld te stoppen in het ontwikkelen van steunstructuren, zodat burgers een beroep kunnen doen op hun eigen informele circuit. Ik vind dus dat experimenten in sociale cohesie aandacht moeten krijgen.’
Marijke Vos beaamt dit. Ze stelt daarom ook geld beschikbaar voor mantelzorg en vrijwilligerswerk. Tegelijkertijd vraagt ze zich af of de160 miljoen die Amsterdam investeert in welzijn beter in te zetten is.
Marius Ernsting vult aan: ‘Uit het SCP-rapport over sociale isolatie van twee jaar geleden bleek dat acht tot negen procent van de bevolking niet of nauwelijks adequate contacten onderhoudt. En dat percentage is onder de risicogroepen van de Wmo veel hoger.’


Scharnieren

Terug naar het panel. Damen waarschuwt: ‘Het risico bestaat dat geld, bedoeld voor zorg, overgeheveld van de Awbz, naar de Wmo, naar de lokale overheid, gebruikt gaat worden voor welzijnsactiviteiten. Daar moeten we ons krachtig tegen verzetten. In deze stad praten we over zorgaanbieders, over welzijnsaanbieders, maar nauwelijks over, wat kunnen zorg en welzijn op elkaar afgestemd bieden?’ Vanuit Sigra, de Amsterdamse koepel van zorginstellingen waar Damen ook voorzitter is, nodigt hij de welzijnssector uit om daar over te praten. Azerhoosh plaatst een voetnoot: ‘Je krijgt applaus. Maar dat jullie je huiswerk niet goed hebben gedaan al die jaren, daar gaat het niet over. Het gaat over de burger. Mensen zitten in een community, een netwerk. Wij moeten de scharnieren creëren, communities leren kennen en bij elkaar te brengen.’
Saar Boerlage vindt dat de zon vaak schijnt in Amsterdam. Zo ook op de autovrije zondag: ‘Ik was in de Pijp, er was een heel gezellig sfeertje. Allerlei soorten mensen praatten met elkaar.’ Ook prijst ze de Dappermarkt: ‘Kijk op een zonnige zaterdag hoeveel verschillende mensen er rondlopen en met elkaar staan te praten. De gemeente heeft gezorgd voor die autovrije dag, de gemeente heeft de Dapperbuurt opgeknapt. Dat soort bijdragen verwacht ik van de gemeente. Met initiatief van onderaf komt het dan helemaal goed. En we zullen zien dat het weer dan ook wel opknapt.’

Tot slot vraagt Hijink de stadsbestuurders Hoek en Vos een cijfer van 1 tot 10 te geven aan het debat. Hoek heeft veel interessants gehoord. ‘We hebben een grote administratieve last bij instellingen en bij individuele cliënten neergelegd. Ik wil liever met dat laatste aan de slag, dan met dat eerste.’ Ook neemt hij mee dat de wet meer is dan een zorgverhaal: ‘De Wmo gaat ook over een hechte samenleving. Je moet je best doen voor dat zorgdeel, maar dat mag niet alles opslorpen.’
Marijke Vos staat ook aan de kant van de plus: ‘We zijn op weg, maar we zijn er nog lang niet. Maar de komende jaren ga ik er als wethouder veel energie in steken.’



4 Maatschappelijke steunsystemen
Na jaren investeren in opvang en bestrijding van overlast wordt nu (ook) geïnvesteerd in preventieve maatregelen: het voorkomen van verkommering en verloedering door middel van zogenaamde maatschappelijke steunsystemen. De cabaretiers van Troje zorgden ervoor dat je er nog om kon lachen ook.

Om te voorkomen dat mensen vervuilen, vereenzamen en de huur niet meer kunnen betalen, worden in de verschillende stadsdelen maatschappelijke steunsystemen (MSS) opgezet. De meldpunten zorg en overlast versterken daarvoor hun netwerken en ontwikkelen een ‘basispakket welzijn’ voor OGGZ-cliënten.
Walter Kamp (Dienst Zorg en Samenleven) bereidt samen met de stadsdelen de komst van maatschappelijke steunsystemen voor. Hij legt uit dat er een sleutelrol is weggelegd voor maatschappelijke dienstverlening en welzijnsinstellingen. Er worden niet alleen meer, maar ook andere dingen van ze gevraagd. Vaker er-op-af gaan en achter de voordeur kijken, bijvoorbeeld. En de dienstverlening nadrukkelijker dan voorheen op OGGZ-cliënten richten.
De steunsystemen richten zich op een brede doelgroep: zelfstandig wonende mensen met problemen op meerdere gebieden. Zij formuleren zelf geen hulpvraag en hebben onvoldoende kwaliteit van leven. Ze zijn niet goed in beeld bij hulpverleningsinstanties. Het aantal wordt in Amsterdam geraamd op zes- tot tienduizend. Het gaat nadrukkelijk niet om daklozen en veelplegers, want daar is andere hulp voor. Het einddoel is het voorkomen van verergering en crisis en verbetering van de kwaliteit van leven.

Rozen gooien

Na deze uitleg gingen de deelnemers in debat: voor of tegen MSS. Eens of oneens, als je een goed argument hoorde, gooide je een roos naar de spreker. De conclusie luidde: gebruik de aanwezige kennis en infrastructuur en benut de ontwikkelingen rond bijvoorbeeld het aanbesteden. Het werkt namelijk alleen als werkers in de wijken weten wat ze doen, als hun werk aansluit bij bestaande projecten en niemand elkaar voor de voeten loopt.

Henk Betlem, beleidsmedewerker in Bos en Lommer, is voorloper op deze ontwikkeling. In Bos en Lommer introduceert hij MSS op drie manieren:
1. Met een wijkteam van outreachende professionals
Dit wijkteam bestaat uit medewerkers van het Maatschappelijk Dienstencentrum (MaDi) en Mentrum (GGZ). Het team functioneert tegelijkertijd als voorportaal en backoffice van het meldpunt: zowel op de plek waar meldingen vandaan komen als in de aanpak van gemelde problematiek.
2. Door toerusting en kwartiermaken Instellingen en organisaties in Bos en Lommer worden toegerust om zich meer en beter te richten op de doelgroep. Niet alleen wat betreft signaleren en bejegening, maar ook door kwartiermaken: op welke wijze kan het bestaande aanbod van instellingen voor de doelgroep van betekenis zijn?
3. Door onderzoek naar de doelgroep Om de doelgroep beter te bedienen is specifiek zicht nodig op de omvang, samenstelling en behoeften van de doelgroep. In eerste instantie zoomt Bos en Lommer hierbij in op mensen met een verstandelijke en/of psychische beperking.

Ondanks enkele kritische noten als ‘oude wijn in nieuwe zakken’, kreeg MSS de handen op elkaar. Die gingen tenslotte letterlijk op elkaar toen de mannen van Troje in drie verschillende muziekstijlen het fenomeen maatschappelijke steunsystemen bezongen. En er werd nog lang met rozen gegooid.

5 Preventief jeugdbeleid

De Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling werkt aan afspraken rond een basisaanbod preventief jeugdbeleid in het kader van de Wmo. In debatopstelling spraken de deelnemers aan deze sessie over effect, regie en mogelijke chaos.

Michèle Hering is programmamanager van het programma ‘Opgroeien en Opvoeden’ bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO), Gemeente Amsterdam. Zij vertelt dat DMO afspraken maakt over een basisaanbod preventief jeugdbeleid in het kader van de Wmo. Onder leiding van Dirk van Dorsselaer (Nederlands Debat Instituut) wordt gedebatteert in groepen van voorstanders, tegenstanders en ‘rechters’.

Stelling 1: Zodra er een basisaanbod op het gebied van preventief jeugdbeleid ontstaat, zullen er binnen een jaar minder kinderen in zorg zijn.
Deze stelling gaat op voor zeer jonge kinderen, zo zegt een voorstander: ‘Bij vroegtijdige aanpak zullen er minder crisissituaties ontstaan in een later stadium.’ Een andere voorstander miste zelfhulp in de introductie: ‘In het Moeder Kind Centrum waar ik werk leren ouders van elkaar.’

Een volgende spreker kent uit eigen ervaring de preventieve werking van een opvoedcursus: ‘Als de toeleiding wordt verbeterd, kan binnen een jaar resultaat geboekt worden.’
Tegenstanders vinden een jaar veel te kort. ‘Door betere signalering en doorverwijzing zullen er eerst veel meer kinderen in de zorg komen.’ Iemand wijst op niet-gemotiveerde ouders: ‘Het zal in deze gevallen veel langer duren omdat de ouders niet gemotiveerd zijn. De kloof tussen volwassenen- en kinderzorg moet daarom geslecht worden.’

Stelling 2: De lokale overheid zou zich op het gebied van preventief jeugdbeleid moeten beperken tot het regelen van het grensverkeer tussen de domeinen ‘gezin’, ‘buurt’ en ‘school’.
Voorstanders vinden regie inderdaad een taak van de overheid.
‘De daadwerkelijke invulling van de zorg dient door professionals te gebeuren.’ Een ander is kritisch: ‘Veel ambtenaren berijden eigen stokpaardjes in plaats van dat ze professionals het werk laten doen.’ Een volgende klaagt over het langs elkaar heen werken van instellingen: ‘Het is in het belang van de klant dat er goede regie komt.’
Tegenstanders vinden dat de lokale overheid ook andere taken heeft, zoals bewoners betrekken bij zorg: ‘De stelling is te beperkt omdat de lokale overheid niet alleen de regie dient te voeren maar ook actief het lokale aanbod dient te verzorgen.’

Stelling 3: Het feit dat het preventieve jeugdbeleid is ondergebracht in de Wmo, leidt in Amsterdam vooral tot chaos.
Voorstanders vinden het preventieve jeugdbeleid een ondergeschoven kindje in de Wmo: ‘Vooral aan de nazorg wordt niet voldoende aandacht besteed.’ Een ander meent: ‘De stadsdelen zijn te eigenwijs en zullen toch hun eigen gang gaan. Dat is inherent aan het systeem van de stadsdelen.’
Tegenstanders van de stelling zien dat de stadsdelen de signaalfunctie goed oppakken. ‘Er wordt al veel voor jeugd gedaan. Door de Wmo worden het ingezette geld en de middelen aan elkaar geknoopt.’ Tot slot meent iemand dat het in de jeugdzorg in Amsterdam nu al een chaos is: ‘De Wmo is een goed medium om regie te voeren.’

6 Grenzen aan zelfstandig wonen

Waar liggen de grenzen van het zelfstandig wonen voor ouderen? Willen ouderen het liefst in de wijk wonen of liever in een verzorgingstehuis? Dat stond ter discussie in deze deelsessie.

Yoav Magid (Nederlands Debat Instituut) leidt het debat. Na afloop van iedere stelling is het laatste woord aan het panel: Welmoet Spreij (Dienst Zorg en Samenleven) en Maarten Egmond (directeur Dienst Wonen).

Stelling 1 luidt: Door de stagnatie in de bouw van zorgwoningen moeten wij stoppen met het ombouwen van verzorgingshuizen.
In Amsterdam worden veel oude verzorgingstehuizen omgebouwd zodat mensen meer ruimte hebben. Hierdoor neemt het aantal plaatsen in deze huizen af. Tegelijkertijd worden er in de wijken zorgwoningen bijgebouwd zodat ouderen langer zelfstandig kunnen wonen. Nu de bouw van deze woningen vertraging oploopt, is de vraag of er ook moet worden gestopt met de ombouw van de verzorgingstehuizen. Ouderen moeten immers ergens wonen. Of is er een alternatief?
Een reden om mensen langer zelfstandig en in de wijk te laten wonen is dat zij daar midden in het leven staan. Tegelijkertijd, merkt een deelnemer op, staan verzorgingshuizen de laatste tijd ook steeds meer midden in het leven. ‘Mensen hebben er veel contacten met de buitenwereld en dat levert veel voordelen op.’ Iemand anders vindt dat je ‘oude schoenen niet weg moet doen, voordat je nieuwe hebt.’ Bovendien, in verzorgingstehuizen krijgen mensen aandacht en dat is belangrijk.

Stelling 2: De kwaliteit van de welzijnsdiensten is bepalend voor hoe lang iemand thuis kan blijven wonen.
Tante Truus woont in een ruime serviceflat. Na het overlijden van haar man krijgt ze hartklachten. Als ze uit het ziekenhuis komt, wil ze niet terug naar haar flat. Ze wordt tijdelijk opgenomen in een oud en krap verzorgingshuis om daar te revalideren. Hoe klein haar kamer ook is, ze voelt zich er veilig. Ze heeft aanspraak en verzorging. Daarom blijft ze liever in het tehuis dan terug te keren naar haar ruime en zelfstandige appartement.

Uit de discussie blijkt dan ook: fysieke integratie is nog geen sociale integratie. Dat mensen in een sociale omgeving wonen, betekent niet dat ze eraan deelnemen. Een ander geeft een voorbeeld vanuit de verstandelijk gehandicaptenzorg: ‘Verstandelijk gehandicapten zijn op zoek naar leuke buren en leuk werk en niet naar welzijnswerkers.’ Een ander noemt de rol van vrijwilligers, zoals maatjes of mantelzorgers. Ook daarbij is het welzijnswerk onmisbaar.

Stelling 3: Marktwerking in de zorg en gebiedsgerichte samenwerking gaan niet goed samen.
Gebiedsgerichte samenwerking staat op gespannen voet met marktwerking: concurrentie verhoudt zich niet tot samenwerking. Door marktwerking komt er een groter en gevarieerder aanbod, maar werken al die instellingen niet langs elkaar heen en tegen elkaar in? En zien klanten door de bomen het bos nog wel? Voor Maarten Egmond staat de klant centraal. Iedereen wil de beste producten tegen de laagste prijs, maar: ‘veel confectie levert nog geen maatwerk’. Het is dus essentieel om te onderzoeken hoe maatwerk, marktwerking en samenwerking samengaan.

7 Gebiedsgericht programmeren

Deze discussie gaat over de resultaten van het gebiedsgericht programmeren. In dat traject formuleerden alle stadsdelen een Wmo-programma.

In 2007 namen alle stadsdelen hun eigen welzijnsbeleid kritisch onder de loep. Ze keken ook naar afstemming van hun taken en de taken die stedelijk voor de Wmo worden uitgevoerd. Ook brachten ze de vraag van burgers in kaart. Dat alles is aan beleidstafels met alle partijen besproken. Resultaat daarvan zijn veertien integrale Wmo-programma’s die als belangrijke input voor de Wmo-nota dienen. In deze deelsessie leidt Rutger Krabbendam (DMO) de stellingen in. Maarten Bouwhuis (Nederlands Debat Instituut) leidt het debat.

Stelling 1: De instellingen moeten in opdracht van de stadsdelen de ‘verborgen vraag’ ophalen.
De Wmo is er voor iedereen. Alle drempels die maatschappelijke participatie in de weg staan, moeten worden weggenomen. Amsterdam doet hier veel aan. Toch blijft het gevoel bestaan dat niet iedereen bereikt wordt: we hebben slecht zicht op de ‘verborgen vraag’. Ligt de verantwoordelijkheid om die vraag boven water te krijgen bij de instellingen? Of moet de overheid zelf informatie vergaren? Actief naar buiten, direct in contact met de vermoedelijke doelgroep? Of is de ‘verborgen vraag’ een mythe? Daar gaat de discussie over. Rutger Krabbendam vindt dat de overheid de kennis van instellingen niet voldoende benut en dat instellingen actiever zouden moeten zijn. Meer en betere samenwerking is nodig om achter de verborgen vraag te komen.

Stelling 2: De prestatieafspraken tussen de gemeente en de aanbieders houden vernieuwing tegen.
De samenwerking tussen de gemeente als opdrachtgever en de (welzijns-) aanbieders als opdrachtnemers wordt verder geprofessionaliseerd: ‘producten’ worden scherper omschreven en er wordt afgerekend op basis van resultaten. De aanbieder wordt gedwongen om precies te leveren wat is afgesproken. Speelruimte ontbreekt. Tevens is de aanbieder ieder jaar ‘slachtoffer’ van een aanbesteding. Langdurige samenwerkingsafspraken staan onder druk. Dit belemmert vernieuwing. Anderzijds: de verzakelijkte relatie kan juist ook vernieuwing stimuleren. Voor de aanbieder wordt de overheid een betrouwbare en deskundige partner. Deze kwaliteitsslag zorgt misschien juist voor een innovatief klimaat.
Krabbendam concludeert dat de rol van de opdrachtgever cruciaal is voor vernieuwing. Instellingen moeten de ruimte krijgen om vernieuwend te zijn, onder andere door daar binnen het budget een marge voor te creëren.

Stelling 3: Welzijnsinstellingen moeten marktgerichter denken.
De kern van de Wmo is de steeds nauwere samenwerking tussen welzijn en zorg. Het gaat om de juiste balans tussen individuele (zorg)producten en collectieve (preventie) producten. Hiervoor moeten partijen elkaar weten te vinden. Instellingen moeten openstaan voor nieuwe coalities en nieuwe producten op dit grensvlak: buiten de gebaande paden op zoek naar mogelijkheden om aan de vraag van de burger te voldoen of zelfs in te spelen op de vraag die nog niet gesteld wordt. Uit de beleidstafels in de stadsdelen valt af te leiden dat zorginstellingen op dit punt een voorsprong hebben op welzijnsinstellingen. Willen de welzijnsinstellingen meegaan in de Wmo, dan zullen ze marktgerichter moeten denken en niet bang zijn voor concurrentie.
Maar dat geldt ook voor beleidsmedewerkers van de stadsdelen die moeite hebben om vernieuwing te stimuleren.

Meer geld voor eigen kracht en vrijwilligerswerk

Wethouder Vos brengt goed nieuws


Wethouder Zorg Marijke Vos bracht goed nieuws. Niet alleen is er extra geld voor buddyprojecten, ook investeert de stad in Eigen Kracht Conferenties en maatschappelijke steunsystemen.

Het invoeren van de Wmo is een ‘gigantische klus’ waar iedereen de schouders onder zet, hoewel het niet altijd vanzelf gaat en erg veel inspanning van alle partijen vergt, aldus wethouder Vos. ‘In het begin hadden we discussie over de vraag: is het niet eigenlijk ook een bezuinigingsoperatie? Ook ging het over de moeizame onderhandelingen met het rijk en problemen rond aanbestedingen.’ Gaandeweg pakten stad en stadsdelen de wet echter ambitieus op. Vos: ‘In de stad is veel beweging waar te nemen, nieuwe activiteiten en ondersteuningsvormen worden ontwikkeld en oude ter discussie gesteld. De Wmo is geen bedreiging gebleken, maar een kans om verbetering en vernieuwing te realiseren.’

Eén van de ambities van de wet is het realiseren van een stevige basis van voorzieningen voor de meest kwetsbare burgers: ‘Het college heeft bij aantreden gezegd: het voorzieningenniveau van vóór de Wmo moet minstens gelijk blijven en zo mogelijk verbeteren.’ Verbeteringen zijn bijvoorbeeld de introductie van het pgb voor woon- en vervoersvoorzieningen en de verbreding van het basispakket ouderen naar andere doelgroepen.
‘Tegelijkertijd staan we met de Wmo voor de uitdaging om burgers in staat te stellen zelf de regie te voeren, initiatieven te ontplooien en hun eigen kracht in te zetten. Kortom: maatschappelijk meedoen.’ Daarover heeft Vos goed nieuws: ‘Het college wil burgers die zich voor anderen inzetten en eigen initiatieven ontplooien, ondersteunen. Daarvoor zal ik vanaf 2008 structureel één miljoen extra inzetten. Dat zal worden besteed aan buddy-projecten voor eenzame ouderen en de ondersteuning van mantelzorgers die extra aandacht behoeven: jonge mantelzorgers, migranten die mantelzorg verlenen en mantelzorgers van mensen met psychiatrische problematiek. Daarnaast maak ik geld vrij voor de vrijwilligeracademie, een nieuwe organisatie die zich gaat richten op de werving, deskundigheidsbevordering en binding van een nieuwe generatie vrijwilligers.’

In het jeugdbeleid en de vrouwenopvang is er een accentverschuiving naar regie-bevorderende en eigen kracht-versterkende methoden. Ook hier komt Vos met goed nieuws: ‘Het college wil in 2008 en 2009 zowel voor jeugdigen als voor andere groepen een groot aantal Eigen Kracht Conferenties financieren.’
Doordat het accent op versterking van de eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers komt te liggen wordt een ander appèl gedaan op welzijnsorganisaties: functies en activiteiten zullen in toenemende mate betrekking hebben op ondersteunen en faciliteren, verbinden en organiseren, trainen en coachen. ‘Denk aan het samenbrengen van mensen die gezamenlijk het onderhoud van een park voor hun rekening nemen.’ Ook investeren stad en stadsdelen fors in de ontwikkeling van maatschappelijke steunsystemen voor mensen met (dreigende) psychiatrische problemen om dakloosheid en verkommering te voorkomen. Ook daardoor zullen aan welzijnsorganisaties andere eisen worden gesteld, waaronder outreachend werken en hun aanbod niet alleen voor de traditionele gebruikers maar ook voor deze doelgroep openstellen.

Tot slot gebruikt wethouder Vos de metafoor van een reis voor de invoering van de Wmo: ‘Deze conferentie draagt bij aan een innovatieve en krachtige koers waarbij alle partijen en belanghebbenden op basis van vertrouwen hun inspiratie en krachten bundelen om de Wmo-reis in Amsterdam tot een succesvol avontuur te maken. Reist u mee?’

Gezongen notulen

Als afsluiting van de conferentie gaf Dominique Engers, sneldichteres, de notulen van de conferentie weer in liedvorm. Engers: ‘Dit is het spannendste moment voor de doventolken. Zet hem op!’ Het lied is op rijm en heeft 47 coupletten. Door de inside-grapjes, de zelfspot en de sprekende details, verliet iedereen met een lach de zaal.

“Eelco zat zich een slag in de rondte te verantwoorden
Applausje van de zaal voor zijn weloverwogen woorden
Marius die zei: ‘Sluit het forum in een kamertje op
Als u allemaal zo eens bent, los het dan met z'n allen op!’

Wie moesten in het kamertje? En goede raad was duur
Er moest ook gèld in het kamertje, anders werd het onderhuur
Wat doet men met de administratie? Vroeg een dame uit de zaal
‘En ook samenwerken met de klanten!’ hoorden wij toen allemaal.”